De mens in het systeem
Afgelopen woensdag schreef ik een stuk in de Volkskrant naar aanleiding van het nieuwe onderzoek naar de rol van het Huis Oranje-Nassau in ons koloniale verleden. Een onderzoek dat opnieuw laat zien hoe diep het koningshuis verweven was met het koloniale systeem en hoe lang dat systeem onderdeel is geweest van onze geschiedenis.
Voor mij kwam dat onderzoek behoorlijk dichtbij. Een groot deel ervan gaat over Nederlands-Indië, het land waar mijn familiegeschiedenis ligt, maar mijn zoektocht heeft me inmiddels veel verder gebracht. Naar Curaçao, naar slavernij, naar voorouders die onderdeel waren van die koloniale wereld. Ineens keek ik niet meer alleen naar de geschiedenis van mijn opa en oma, maar naar een veel groter systeem waarin generaties vóór hen al leefden. Dat is de ontdekking die me niet meer loslaat: dat de koloniale geschiedenis niet ergens buiten mij bestaat. Ze loopt dwars door mijn familiegeschiedenis heen. Letterlijk door mijn DNA.
Toen het stuk af was, bleef er alleen nog iets aan me knagen. Wij kunnen nu onderzoek doen naar het Huis Oranje-Nassau en met de kennis van vandaag kijken naar een systeem dat eeuwenlang heel normaal werd gevonden. We kunnen documenten naast elkaar leggen, geldstromen reconstrueren, machtsverhoudingen blootleggen en ons afvragen hoe het mogelijk was dat een heel land zo lang onderdeel kon zijn van iets waar we nu totaal anders naar kijken.
En precies daar bleef ik hangen. Want waarom denken we eigenlijk dat wij daar nu buiten staan?
Hoe we het ook wenden of keren, wij zijn als mens altijd gevangen geweest in systemen. En terwijl ik die zin opschrijf, besef ik dat het woord ‘gevangen’ zwaar klinkt. Toch voelt het voor mij wel zo. Mijn opa en oma werden geboren in een wereld die al bestond. Een wereld met kant-en-klare regels, gezag, rangen en standen. Nederlands-Indië was er gewoon. Het koloniale bestuur was er, het Koninkrijk was er, het KNIL was er. Zij bepaalden die wereld niet, maar moesten er wel hun weg in vinden. En de generaties vóór hen precies zo.
Als ik naar mijn eigen familiegeschiedenis kijk, voel ik niet de behoefte om over die mensen te oordelen. Ik wil begrijpen waarom ze deden wat ze deden. Welke wereld kenden zij? Wat werd hun geleerd? Waar geloofden ze in? Welke keuzes hadden ze werkelijk? Dat betekent niet dat ik alles wat er gebeurde goedpraat. Maar ik kan niet van mensen verwachten dat zij met de kennis van vandaag naar hun eigen tijd keken.
Het koloniale systeem werd niet iedere ochtend opnieuw ter discussie gesteld. Het wás er. Het zat verweven in bestuur, handel, bezit, rechtspraak, het leger en zelfs in de manier waarop mensen naar elkaar en naar zichzelf keken. Het werd gedragen door instituties en door mensen die binnen dat systeem ieder hun eigen positie hadden. Juist het Oranje-onderzoek maakt voor mij zichtbaar hoe macht, bezit, bestuur en belangen met elkaar verweven kunnen raken en vervolgens generaties lang onderdeel worden van wat als normaal wordt beschouwd.
En honderd jaar later trekken wij de laden open. We onderzoeken, reconstrueren, erkennen, herstellen en bieden excuses aan. We zien dingen die de mensen die er middenin zaten zelf niet zagen, niet wilden zien of wel degelijk zagen maar destijds nauwelijks werden gehoord.
Daar begint voor mij de ongemakkelijke spiegel naar onze eigen tijd. Ook wij zijn geboren in een wereld die al volledig was ingericht voordat we onze eerste stap zetten. Een wereld met een overheid, wetten, onderwijs en gezondheidszorg, maar ook met media, banken, grote bedrijven en technologie. We groeien op met ongeschreven regels over hoe de samenleving werkt en met diep ingesleten ideeën over wat normaal is, wat waar is en wie we moeten vertrouwen. Veel daarvan hebben we nodig. Natuurlijk. Zonder systemen kun je met miljoenen mensen onmogelijk samenleven. Maar dat betekent niet dat onze systemen altijd gelijk hebben. Dat weten we juist doordat we nu terugkijken naar systemen die ooit net zo vanzelfsprekend waren.
Wat mij daarin steeds meer bezighoudt, is waarom mensen doen wat ze doen. Waarom de één vertrouwt op het gezag en de ander daar juist vraagtekens bij zet. Waarom mensen meegaan in besluiten, terwijl anderen zich ertegen verzetten. Iedereen kijkt vanuit zijn eigen ervaringen, overtuigingen en de kennis die op dat moment beschikbaar is. En niemand kan precies weten hoe er over honderd jaar op zijn keuzes wordt teruggekeken. Ook niet de mensen die vragen stelden, protesteerden, waarschuwden of dwars tegen de heersende opvatting ingingen. Niet iedereen van hen kreeg later gelijk. Een afwijkende mening wordt niet vanzelf waarheid omdat ze afwijkt. Andersom geldt precies hetzelfde. Iets wordt ook niet vanzelf waar omdat een meerderheid het gelooft. Omdat het in de krant staat, omdat een deskundige of overheid het zegt, omdat een instituut gezag heeft of omdat ‘we het nu eenmaal altijd zo gedaan hebben’.
En daar zit mijn ongemak. We zijn ontzettend goed geworden in terugkijken. We kijken naar het koloniale verleden en zien nu de ongelijkheid en de brute machtsverhoudingen. We doen onderzoek naar het Huis Oranje-Nassau en stellen vragen die lange tijd nauwelijks werden gesteld. We lezen documenten uit die tijd en denken: hoe was dit mogelijk? Maar de mensen die toen leefden, konden niet honderd jaar vooruitkijken. Net zomin als wij dat kunnen.
Daarom vraag ik me steeds vaker af wat onderzoekers over honderd jaar over onze tijd zullen schrijven. Welke archieven zij opentrekken. Welke systemen zij blootleggen die voor ons vandaag doodnormaal zijn. Waarvan zij zich afvragen: hoe konden zoveel mensen hierin meegaan? Welke stemmen werden niet gehoord? Wie werd uitgelachen, weggezet of gecensureerd, terwijl diegene wel degelijk iets zag wat anderen nog niet konden of wilden zien? En welke waarschuwingen bleken achteraf juist totale onzin te zijn?
Misschien leven mensen over honderd jaar in een wereld die wij ons nu nauwelijks kunnen voorstellen, waarin technologie en de mens steeds meer met elkaar verweven zijn. Maar ook zij zullen terugkijken op onze tijd en proberen te begrijpen waarom wij deden wat we deden.
Dat laatste hoort er voor mij net zo goed bij. Kritisch denken betekent niet dat ik automatisch de tegenstem geloof. Dan verruil je immers het ene dogmatische denksysteem voor het andere. Het betekent voor mij dat ik mezelf het recht wil blijven geven om open vragen te stellen. Ook wanneer het antwoord schuurt met wat ik altijd heb geleerd.
Dat is uiteindelijk wat dit onderzoek naar het koloniale verleden bij mij heeft losgemaakt. De vragen die ik stel gaan allang niet meer alleen over mijn voorouders, Nederlands-Indië, Curaçao of het Huis Oranje-Nassau. Ze laten me ook anders kijken naar de wereld waarin ik zelf leef.
De geschiedenis herhaalt zich niet letterlijk. De tijd verandert, de woorden veranderen, de machtsstructuren verschuiven en systemen krijgen andere vormen. Maar de mens blijft mens. We zoeken veiligheid bij elkaar, we vertrouwen op gezag en deskundigheid, we willen ergens bij horen en vinden het moeilijk om buiten de groep te vallen. En ondertussen zijn er in ieder tijdperk mensen die tegen de stroom in kijken en zeggen: wacht eens even, klopt dit wel?
Pas veel later kunnen we overzien welke gevolgen onze keuzes hebben gehad, wat we destijds wisten en wat we niet konden of wilden zien. Want de grootste vergissing die we kunnen maken wanneer we naar het verleden kijken, is denken dat wij inmiddels aan de goede kant van de geschiedenis staan.
Het Oranje-onderzoek laat zien dat wij vandaag vragen stellen over een wereld die voor generaties vóór ons werkelijkheid was.
Over honderd jaar stelt iemand die vragen over die van ons.
Wij staan niet aan het veilige einde van de geschiedenis.
Wij zitten er middenin.
Net als zij toen.
Recent Posts





